Wat brachten de meest succesvolle artiesten van het Songfestival van 2018 uit als follow-up single? We vroegen aankomend musicoloog Thomas Batelaan om die ‘tweede liedjes’ te vergelijken met hun Eurovisie-inzending.


Nu we onze voorpret over het komende Songfestival langzaam maar zeker openlijk kunnen gaan belijden, wilde ik nog eventjes nagenieten van vorig jaar. De artiesten die ‘Portugal 2018’ tot een succes maakten zijn natuurlijk nog steeds alive and kicking. Wat hebben zij gedaan na het festival, toen wij playlistjes gingen aanleggen met driehonderd remixes van Toy? Ongeveer hetzelfde als wat ze zo succesvol maakte, blijkt na uitgebreid onderzoek.


Netta – Bassa sababa

Ik zal maar gelijk met de neushoorn in huis vallen. Na lang wachten kwam ons aller Netta in februari eindelijk met de follow-up voor het nummer waarmee ze afgelopen zomer onze harten stal. Gelukkig blijft de Israëlische schoenmaakster bij haar leest: empowering dancenummers over anders zijn. En dierengeluiden. Heel veel dierengeluiden.

Ditmaal is het de neushoorn, waar Netta naar eigen zeggen een speciale band mee heeft – ze heeft als kind even in Nigeria gewoond. Dit symbool voor onwrikbaarheid, soevereiniteit en, tja, pure zwaartekracht is misschien wel een perfecte personificatie van Netta’s persona. Het onomatopoëtische taalspel dat Netta uithaalt in het refrein is niet alleen heel meezingbaar, maar ook betekenisvol.

Bassa sababa is een mix van slangtermen. ‘Bassa’ betekent zoiets als ‘balen’, ‘sababa’ lijkt op ons gebruik van ‘nice’. Voeg je die dingen samen dan krijg je iets wat lijkt op ‘jammerdebammer’ – zowel qua klank als betekenis. Het vangt de dubbelzinnigheid van iets wat pijn doet, iets dat wel naar is, maar misschien toch maar beter. In het nummer waarschuwt Netta een pestkop, misschien zelfs een former lover, dat ze hem met huid en haar gaat verslinden, dat ze zich niet langer laat kleineren.

Een reëel risico is dat Netta bekend komt te staan als ‘dat ene meisje met die dierengeluiden’, maar dit nummer is sterk genoeg om die boot nog even af te houden.


Eleni Foureira – Triumph

Eleni Foureira uit Cyprus was in 2018 de populaire runner-up. Geen wonder: Fuego was catchy, opzwepend en de choreo was ontzettend on point. EN DAT HAAR! De sound van het nummer was ook vrij uniek: akoestisch maar met een elektronisch fundament.

Vlak na het Songfestival kwam Foureira al met een nieuw nummer, dat ze zelf beschreef als ‘toegift’. Omdat het een cover was van een oorspronkelijk Israëlisch nummer ga ik liever in op haar volgende, veel grotere release, Triumph.

Triumph is een nieuw Engelstalig nummer, en gaat een andere kant op dan Fuego. De sound is veel elektronischer, ook ingehoudener. Foureira zingt minder, rapt meer. In het algemeen ligt de focus meer op de beat dan op de melodie.

Net als Bassa Sababa wil dit nummer emanciperen – Aretha Franklin’s Respect wordt op een gegeven moment aangehaald – maar de tekst blijft vaak hangen in een soort seksualisering. ‘This one’s for all my girls,’ zingt Foureira, maar Foureira’s girls blijken wel louter ‘beauty queens from silver screens’ en ‘cover girls from magazines’. Alsof vrouwen vooral sterk zijn wanneer ze mooi en beroemd zijn. Dat is misschien omdat het nummer geschreven is door twee heren: Alex Leon en Andy Nicolas. Jammerdebammer.


Cesár Sampson – Stone cold

César Sampson maakte vorig jaar indruk met zijn vocale performance in Nobody but you, het lied waarmee hij op nummer drie eindigde. Dat nummer is verstild en soulful, inclusief gospel-achtig koortje. De lyrische ik gaat zijn ex achterna, omdat hij te laat ingezien heeft dat hij of zij toch de ware is. Sampson weet het nummer op te tillen: bij elk couplet voel je de druk opbouwen, uitmondend in het euforische refrein. Het zou allemaal niet misstaan in een feelgood-autoreclame uit medio jaren ’00. De vrij zware inhoud verdwijnt wel enigszins door de meezingbare vorm – zo wordt het eerder een eerbetoon aan de liefde dan aan het berouw.

Stone cold uit lijkt in alles op Nobody but you, zelfs het gospelkoortje maakt een comeback. De opbouw is wederom steengoed (pun intended) – als ik meezing voel ik de drang mijn armen dramatisch ten hemel te tillen. Het hoofdpersonage heeft ook dit keer liefdesperikelen – zijn geliefde wil niet praten, sluit zich af voor hem. De tekst lijkt iets minder geschaafd dan de vorige keer, bepaalde fraseringen zijn wat krom: ‘I want to be moaning,’ ‘I ain’t even matter to you, though’.

Het refrein camoufleert zich nu als rock, maar de syncopen tussen Sampson en het koor trekken het toch weer meer naar de soul toe.


Michael Schulte – Never let you down

Schultes eerste nummer leende qua sound veel van James Blunt (in het couplet) en Ed Sheeran (in het refrein). Schulte zingt over zijn herinneringen aan zijn vader, die in 2005 overleed – hoe hij de kleine Michael steunde, een thuis voor hem maakte. Hij bedient zich daarbij overigens van erg veel cliché’s, maar misschien mag dat ook wel, als je je vader op je vijftiende verliest. De sound is akoestisch, piano en strijkers zorgen voor een warme, emotionele sfeer.

In Schultes follow-up uit september, Never let you down, neemt hij een andere afslag. Hij neemt zelf de rol aan van beschermer, thuis-maker. Hij belooft dat hij er altijd voor zijn geliefde zal zijn, hem of haar veilig zal houden, en bovendien, nooit teleur zal stellen.

De sound is wederom bekend. Het achtergrondkoortje doet denken aan iets uit 2012, misschien een van de vele folknummers over ‘thuis’ die toen uitkwamen. Het refrein schiet dan weer naar de dance toe in een melismatische, ritmische uitbarsting van zelfvertrouwen.

Ik moet zeggen dat ik dit nummer een stuk beter kan hebben dan You let me walk alone, al barst het nog steeds van de cliché’s. Hoe vaak we de woordgroep ‘safe and sound’ al niet hebben gehoord in de popmuziek van de afgelopen vijf jaar… Het zou zo mooi zijn, een nummer over de liefde, waarin iemand erkent dat hij of zij een keer iets stoms zal doen.


Mikolas Josef – Me gusta

Lie to me was een ondeugend nummertje, dat op de zesde plek eindige. Waarin het slaagde: het meezingbare, korte refrein, de sound. Waar het misging: de nogal cryptische, vaak onverstaanbare rap, die tijdens het festival ook nog wat te zacht afgemixt leek. De aandacht voor de beat en de riff leverden een goed nummer op, wat niet de shine had om bovenstaande artiesten te verslaan maar toch vrij hoog eindigde. Het voelde misschien iets te gelikt.

In Me gusta gaat Mikolas Josef verder met wat hij in Lie to me al deed. Opnieuw een cheeky baslijntje, met een gefeatured instrument (ditmaal de dwarsfluit). Verschil: je hoeft niet meer stil te zijn als het refrein zijn climax bereikt, maar je kunt lekker meeblèren: ‘Oh, oh, I love it, me gusta’. Bij mij valt het beter dan vorig jaar.

Toch blijft Mikolas Josef voor mij wat ongeloofwaardig – gek eigenlijk. Misschien hanteer ik voor hem een hogere standaard dan voor zijn collega’s. Hij komt van het Songfestival, hij zou toch beter moeten kunnen dan dit soort standaard-dansnummers? Misschien is dat ook oneerlijk. Klaarblijkelijk kun je best als zesde eindigen met een nummer dat ‘gewoon’ leuk is.