Nederland levert dit jaar met Arcade voor de zestigste keer een liedje aan het Eurovisie Songfestival. En dus was Eurostory benieuwd naar de ‘top zestig’. Naar de ranking. Wat waren de meest succesvolle inzendingen – als we ze objectief op een rij zetten?

We zochten naar de beste manier van berekenen. Dat bracht behoorlijk wat wiskundig hoofdkraken. We kwamen uit op percentages (hoeveel punten haalde de inzending van het maximaal te behalen aantal?) – en dan afgezet tegen het percentage van het winnende land van het betreffende jaar. Voor wie precies wil weten hoe we rekenden: de uitleg staat onderaan dit artikel.

In elk geval brengen we nu in zes afleveringen de complete lijst, met bijzonderheden per liedje. Vandaag: nummers 50-41.

NB (1) – Vier keer waren we er niet bij, twee keer omdat we gediskwalificeerd waren vanwege een te lage score (1995 en 2002), twee keer omdat het festival op 4 mei, dodenherdenking, viel (1985 en 1991).

NB (2) – Omdat er in het eerste jaar (1956) twéé liedjes per land waren is Arcade wel onze zestigste deelname, maar ons eenenzestigste lied.


50: Treble – Amambanda (2006, 0,04%)

Paul de Leeuw, die het Nationaal Songfestival van 2006 presenteerde zei in een interview met Eurostory over de ideeën die hij en zijn team hadden voor de  voorronde: ‘Het ging ook weleens mis – het jaar dat de voorronde zogenaamd in Griekenland speelde, met Maud en Treble. Toen stortte het allemaal een beetje in en daarna ben ik ook nooit meer gevraagd.’

Dat duidde misschien op het hooncommentaar van een aantal vakjuryleden, en op enkele mislukte intervalacts. In elk geval: er waren drie artiesten met ieder drie liedjes. De band Behave trad aan, zangeres Maud (bekend van Idols) en meisjesgroep Treble. Behave werd tweede met Heaven knows (en scoorde er een hitje mee), maar de overgrote meerderheid van de stemmen was toch voor het liedje in fantasietaal van Treble, bestaande uit Niña en Djem van Dijk en Caroline Hoffman.

Amambanda werd slecht begrepen door het Europese publiek, en ook verder succes in Nederland bleef uit. De zusjes Van Dijk begonnen in het najaar van 2006 aan de popopleiding van het Conservatorium in Amsterdam en studeerden daar in 2010 af. De groep werd een jaar voordien opgeheven. Djem zingt nu bij de band Caramba, Niña deed in 2012 mee aan The Voice en richtte een eigen zangschool op. Waar Djem een van de docenten is.


 

49: Anneke Grönloh – Jij bent mijn leven (1964, 0,04%)

Een grote ster trad aan in 1964: Anneke Grönloh, die twee jaar eerder een megahit had gescoord met Brandend zand. Het nummer stond zestien weken lang op nummer één in de hitparades, een record dat pas in 2017 (!) geëvenaard werd (door zowel Ed Sheeran’s Shape of you als de zomerhit Despacito).

Grönloh hoefde daarom de concurrentie niet aan tijdens het Nationaal Songfestival: ze zong drie liedjes waaruit Jij bent mijn leven werd gekozen. Een nummer over een vrouw die té verliefd is: ‘Ik weet dat je liegt, en dat je me bedriegt, maar ik aanvaard het – want jij bent mijn leven.’ (Grappig genoeg leek de inzending van Nederland één jaar later een antwoord op deze deemoedige houding: Conny Vandenbos zong het stevige en boze ‘t Is genoeg, nummer 37 van deze lijst.)

Overigens had Grönloh naar verluidt liever het liedje Vliegende Hollander willen zingen. Misschien niet onterecht: op het Songfestival werd de zangeres gedeeld tiende met maar 2 punten. Jaren later zong Gio in de auto van rapper Ali B zijn eigen versie. Anneke Grönloh overleed in 2018.


48: Thérèse Steinmetz – Ring-dinge-ding (1967, 0,04%)

Zangeres Thérèse Steinmetz mocht zes liedjes vertolken tijdens het Nationaal Songfestival van 1967 en wat ze vreesde gebeurde ook: het luchtigste nummer won. In een interview met Eurostory zei ze daarover: ‘Ik was teleurgesteld dat het dat liedje werd. De mensen kiezen het slechtste… Ik dacht: jeeee, wat kan ik daarvan maken?’

Maar – interessant – vijftig jaar later kwam ze tot een andere conclusie. ‘Ik vind het nu leuker dan toen. Je smaak verandert in de loop der jaren.’ Het lied werd geen grote hit, en Steinmetz beleefde een veelzijdige carrière waarin ze liederen in vele talen zong – een carrière die tot op de dag van vandaag voortduurt, want ze treedt nog altijd op.

Het liedje is qua thematiek verwant aan de inzendingen van 1960 (Wat een geluk) en 1961 (Wat een dag) en is, zoals vaak in die tijd, uitermate speels en huppelend: ‘Als ik ‘s morgens al wodka wil drinken, en spontaan met de bakker wil klinken, nou, dan is het geen vraag, dit wordt vandaag weer een dag zonder één dissonant.’

En het refrein: ‘Dit wordt een ring dinge dinge ding, ring dinge dinge ding, ring dinge dinge ding, ringe ding dag. Ring dinge dinge ding, ring dinge dinge ding, ring dinge dinge ding dag.’


47: Bill van Dijk – Jij en ik (1982, 0,05%)

Hij had het liedje graag op een wat jazzier manier willen zingen, maar de verantwoordelijken in 1982 stonden dat niet toe, het moest zo poppy als mogelijk was. Bill van Dijk was sowieso behoorlijk verbaasd dat hij de voorronde in Nederland had gewonnen. Zijn concurrenten waren Bonnie St. Claire, die al heel wat grote hits op haar nam had staan, en de groep The Millionaires, die met Fantasy Island sowieso de grote favoriet was.

Maar het programma (Van Dijk: ‘Ik dacht: ik doe gewoon een uurtje televisie’) had een opzet die leidde naar een andere uitkomst. Eerst werd namelijk het liedje gekozen (door zeven ‘experts’) en daarna pas de artiest. Het liedje Jij en ik won en daar paste Bill van Dijk vervolgens het beste bij.

De tekstschrijfster, Liselore Gerritsen, stond bekend om haar luisterliedjes. Een jaar eerder belandde een van haar nummers ook al bij de nationale finale, en hoewel ze in het praatprogramma van Sonja Barend aangaf dat ze ontevreden was met hoe Een nieuw begin uit werd gevoerd, was ze een jaar later toch weer present. Maar goed, dat was dan ook nogmaals op muziek van Dick Bakker, die in 1975 de winnende componist van het Eurovisie Songfestival was met het legendarische Ding-a-dong.

Bill van Dijk werd zestiende op het Songfestival (op achttien deelnemers), maar het deerde hem nauwelijks: hij vervolgde zijn zeer succesvolle loopbaan op allerlei manieren, maar vooral als musicalartiest.


46: Trijntje Oosterhuis – Walk along (2015, 0,06%)

Nadat Anouk in 2013 een einde had gemaakt aan vele jaren van slechte scores en maar-niet-doordringen-tot-de-finale, kwamen The Common Linnets in 2014, die tweede werden, en daarna een van onze bekendste zangeressen: Trijntje Oosterhuis. Ze had hits met haar broer Tjeerd in de groep Total Touch, ze zong songs van Burt Bacharach en triomfeerde in duet met Marco Borsato in het lied Wereld zonder jou (1996).

En dus waren de verwachtingen hoog. Bovendien werd haar lied Walk along geschreven door diezelfde Anouk. Helaas lukte het haar – na gedoe over haar kleding en een wat onduidelijke podiumact – niet om door de halve finale te komen.

Later werd bekend dat ze een paar dagen voor haar afreizen naar Wenen te horen kreeg dat ze drieënhalve maand zwanger was. ‘Het was voor mij een cadeautje, natuurlijk. Ik was toen 43, ik had het echt niet meer verwacht. Maar ik was natuurlijk helemaal niet bij machte om het gekkenhuis dat zo’n Songfestival met zich meebrengt te kunnen handelen.’


45: Rudi Carrell – Wat een geluk (1960, 0,06%)

‘Wat een geluk dat ik een stukje van de wereld ben. Dat ik de wijsjes van de sijsjes en de merels ken. En dat ik mee mag doen met al wat leeft. En mee mag ademen met al wat ademt heeft!’ Het is een verrukt lied, dat Wat een geluk. Vooral als de tekstschrijver (Willy van Hemert) losgaat in de volgende regels: ‘Ik ben zo blij dat er in mei altijd narcissen zijn, en dat er vruchten, vlinders, veulens, vogels, vissen zijn.’

En o, die grap in het refrein! ‘Als je mij nu vraagt “Is dat afgezaagd”, dan zeg ik: ‘”Ja, maar ik zaag toch nog even door.”‘ Geen wonder dat Carrell er met ruim gemak het Nationaal Songfestival van 1960 mee won.

Maar internationaal was het een ander verhaal. De tekstuele virtuositeit van het ultrakorte liedje (iets meer dan twee minuten) kwam bij de anderstalige Europeanen niet aan, en het gedeelte van de boodschap dat ze wél konden verstaan (‘Lalalalaaa, lalalalaaa’) was dan weer bijzonder niet-virtuoos. Wat een geluk kreeg maar twee punten en werd voorlaatste.

Toch groeide het lied uit tot een bescheiden Nederlandse songfestivalklassieker, en Rudi Carrell werd in de jaren erna alleen maar beroemder en beroemder als tv-maker en quizmaster, zowel in Nederland als Duitsland.


44: Joan Franka – You and me (2012, 0,06%)

Voor het Nationale Songfestival van 2012 was televisietycoon John de Mol verantwoordelijk. Het was dus geen verrassing dat diverse oud-deelnemers van zijn The Voice aantraden. Na een aantal onderlinge duels (een opzet die ervoor of erna nooit meer is gehanteerd tijdens een Nederlandse voorronde) won Joan Franka tijdens de eindstrijd met de laatste drie met name het publiek voor haar You and me. Bij zowel de internationale als de Nederlandse vakjury was ze juist als laatste gekozen.

Tijdens het Eurovisie Songfestival 2012, dat in Azerbeidzjan werd gehouden, ging er van alles mis. Joan kreeg een lastige startpositie (derde), als act om haar heen was een namaak-countrybandje bedacht van mannelijke modellen die deden alsof ze een instrument konden bespelen, en door de spanning kwamen niet alle noten er zuiver uit.

Het plezier in muziek terugvinden bleek niet simpel. Franka gaf in een van haar spaarzame interviews hierover aan: ‘Het kan gebeuren dat je een keer een slecht optreden hebt, maar als dat gebeurt als er miljoenen mensen kijken, dan is dat heftig. Iedereen had er een mening over. Daar was ik niet op voorbereid.’

Het liedje zelf is een blij verliefdheidsliedje, met een aangenaam tokkelende banjo eronder. Er wordt gerefereerd aan een kinderbelofte: wij zullen altijd samen blijven. Helaas heeft die belofte geen stand gehouden en de ik-persoon zingt dan ook: ‘So I’m lying in bed, thinking about the old days. Thinking about it all and how it ends sometimes.’


43: Milly Scott – Fernando en Filippo (1966, 0,06%)

‘Tong-ki tong ti-ki kong-kong-kong, ri-ki kong-kong-kong ti-ki kong-kong’, dat waren de ritmebevestigende nonsensklanken die zangeres Milly Scott aan haar song Fernando en Filippo (een rumba) toevoegde. Ze gaven kleur aan een tekst die opnieuw op een kinderliedje leek, ook al gaat het over twee muzikanten die strijden om dezelfde vrouw.

Het liedje won de Nationale Finale met overmacht, maar tijdens de Eurovisiefinale in Luxemburg vergaarde Scott maar twee punten. Scott zorgde overigens voor een primeur: ze was de eerste zwarte artiest die op het festival stond. Zelf heeft ze weleens aangegeven dat ze vermoedde dat er enige racistische tendensen in het spel waren, die ervoor zorgden dat ze zo weinig punten kreeg.

De zangeres zat na 1966 verre van stil. Ze vervolgde haar jazzcarrière, ze speelde in musicals als West side story en acteerde in de bekende televisie-serie Vrouwenvleugel, een soort Nederlandse voorloper van Orange is the new black.


42: Hind – Your heart belongs to me (2008, 0,07%)

We kenden Hind allemaal als die heel, heel goede zangeres die derde werd in de eerste editie van Idols. En dus was er tevredenheid toen bekend werd gemaakt dat zij, met een liedje naar keuze, naar het Songfestival zou gaan. Eigenlijk was dat intern aanwijzen én die carte blanche voor de artiest een voorloper van de selectievorm die later, van Anouk (2013) tot en met Waylon (2018) werd gehanteerd.

Maar door een paar jaren van non-kwalificeren leefde Eurovisie destijds veel minder in Nederland. Zelf zei Hind daar in een Eurostory-interview over: ‘Ik heb er geen profijt van gehad. Ik baalde daar toen van, mijn deelname viel midden in de tijd dat er weinig belangstelling was. Niemand wist dat ik meedeed, bij wijze van spreken. Het liedje heeft niet de aandacht gekregen die het verdiende.’

Your heart belongs to me (het mooist aan het lied waren wellicht de kleine referenties in het arrangement aan de Arabische muziek) werd slechts dertiende in de halve finale en scoorde ook niet in de hitlijsten. Maar Hind zette door, verhuisde voor haar carrière naar Los Angeles en in 2019 belandde ze als Laroussi in de V.S. in de dance-hitlijsten met haar Lost.


41: Edsilia Rombley – On top of the world (2007, 0,07%)

Edsilia Rombley kenden we allemaal van haar hoog geëindigde Hemel en aarde, onze songfestivalinzending in 1998 (vierde plek). In de jaren erna werd ze een paar keer opnieuw gevraagd, maar ze vond het steeds niet het juiste moment. Tot in 2007. Ze was net getrouwd en was bezig aan een nieuw album, en ze dacht, zei ze in dit interview, ‘waarom niet? Misschien moet het zo zijn.’

In een aflevering van Mooi! Weer de Leeuw, het programma van Paul de Leeuw, zong ze drie Nederlandstalige liedjes, gecomponeerd door haar man Tjeerd Oosterhuis. De liedjes hadden stuk voor stuk een titel met het woord ‘meer’ erin, Een keer meer dan jij, Meer dan ooit en Nooit meer zonder jou. Een jury mocht raad geven, maar ze koos zelf welk liedje ze mee zou nemen naar Helsinki. Dat werd het laatste, en voor het Songfestival werd de Engelse versie gebruikt, On top of the world.

Edsilia, die door een zwaardere halve finale moest zien te komen dan tegenwoordig (omdat er maar één was, en van de 28 deelnemers alleen de eerste tien naar de finale mochten): ‘Ik vond het heel jammer dat we er niet doorheen kwamen. Een kleine troost was dat er back-up jury’s waren, voor als er iets met de televoting misging. En als het aan hen lag waren we er wel bij geweest in de finale.’


Hoe berekenden we de percentages van deze lijst?

We zochten naar de meest objectieve manier om de prestaties van alle zestig Nederlandse liedjes tot nu toe tegen elkaar af te zetten.

De behaalde plek vergelijken was niet precies genoeg, omdat het aantal deelnemers door de tijd heen veel groter is geworden. Vierde worden op 42 deelnemers is veel beter dan vierde worden op 12 deelnemers.

Daarom keken we naar percentages. Om precies te zijn: het percentage van de punten. We berekenden per jaar hoeveel punten er maximaal gehaald konden worden, keken hoeveel punten de Nederlandse inzending behaalde en verkregen zo dus een behaald percentage.Maar: er zijn nogal wat verschillende soorten puntentellingen geweest. Sinds 1975 kennen we de ‘twaalf punten’ (wat tegenwoordig verdubbeld is omdat zowel jury als publiek eenzelfde aantal punten uitdeelt), maar in de zestiger jaren kwam het bijvoorbeeld voor dat elk land maximaal tien punten mocht uitdelen, maar die naar wens kon verdelen. In dat systeem is het aantal behaalde punten per land relatief veel lager omdat elke jury altijd in meer of mindere mate spreidde. In de praktijk betekent dat dat de winnaars in dat systeem veel verder onder het ‘maximaal haalbare aantal punten’ scoren dan de winnaars van ons huidige systeem.

Om dit te corrigeren en de ranking nog objectiever te maken besloten we niet alleen het percentage van het Nederlandse liedje te berekenen, maar ook dat van de winnaar, en vervolgens voor onze ranking de verhouding van het percentage van Nederland ten opzichte van het percentage van de winnaar leidend te laten zijn. De score van de winnaar zegt namelijk iets over hoeveel punten er gescoord ‘hadden moeten’ worden om te winnen in dat jaar. Door deze ratio te pakken blijft de score relatief, en bekijk je hoe goed Nederland het heeft gedaan ten opzichte van het winnende lied. Hoe kleiner de relatieve afstand die de Nederlandse inzending heeft tot de winnaar, hoe hoger de berekende ratio zal zijn en dus hoe hoger die inzending in de ranking komt te staan. 

Tenslotte zijn er nog de jaren met de halve finales. Om die goed mee te wegen tellen we de scores van een land van de halve finale bij de finale op, en zetten die af tegen de maximaal haalbare score van halve finale en finale bij elkaar. Als een Nederlandse inzending niet door de halve finale kwam, voeren we als ‘score’ in de finale 0 op. Daarna zetten we het totaal, zoals hierboven vermeld, weer af tegen de prestatie van de winnaar.

Nog twee opmerkingen:

  • Nederland won vier keer. In die gevallen is de afstand in procenten van Nederland ten opzichte van de winnaar natuurlijk 0%. Om toch een ranking onder die vier aan te brengen is gekeken naar het percentage van het totaal haalbare aantal punten. Hetzelfde geldt voor andere inzendingen die ex aequo eindigden.
  • 1971 t/m 1973: in deze jaren gaven de twee juryleden elk land een score tussen 1 en 5. Daardoor kreeg elk land dus in elk geval een ‘basisscore’ van 2 per jury. Die punten zijn in onze ranking van het scoretotaal van dat jaar afgetrokken. Ook is het maximaal haalbare aantal punten daar op 8 per jury gezet (en niet 10, want sowieso kreeg iedereen dus al 2 punten).