Het eerste liedje dat Heddy Lester opnam na haar deelname aan het Eurovisie Songfestival van 1977 heette Pats Boem. Het ging over de gekte waarin ze terechtgekomen was en bevatte de regels: ‘Drie minuten is niet veel op een mensenleven. Drie minuten is niet veel om heel je ziel te geven. Een liedje en een glimlach, en plots is het gebeurd: je bent voor je het beseft in de mallemolen meegesleurd.’

Pats Boem staat op de LP die je meteen na het songfestival maakte, maar De mallemolen ontbreekt. Waarom eigenlijk?
Omdat ik anticommercie was. Ik zei: ‘Ze kopen die LP maar zónder.’ Nou, hoe gek kun je zijn? Hadden we het er maar op gezet, dan was de plaat beter verkocht en dan hadden al die mensen gehoord wat ik verder nog kon. Mijn broer Frank Affolter, die mijn muziek schrijft en met wie ik altijd optreed, zei een paar jaar geleden: ‘Wat zijn wij stom geweest.’

Je hebt De mallemolen ook heel lang niet willen zingen.
Voor het songfestival had ik al opgetreden in Engeland, in Canada, in Amerika. Samen met gitarist Gert Balke vormde ik een duo, April Shower. Mijn ouders hadden destijds een restaurant op de Keizersgracht en daar zag een Mexicaan ons optreden. Hij zei: ‘Ik wil dat je naar Mexico komt.’ Ik zei: ‘Send me a contract and I’m coming.’ Ik dacht: slap gelul, natuurlijk. Maar het ging door en we kregen daar een onverwachte, vreemde bekendheid. Iedere zondag op tv, limousines en fotografen, het hield maar niet op. Toen ik terugkwam dacht ik: dit heeft iedereen gehoord, nu begint het ook in Nederland. Nou, ben je mal, niemand had het gehoord. Heel lang gebeurde er niets. Ik zong in de zaak, ik deed schnabbels en elke zondagavond trad ik op in Café Americain, in een show met meerdere artiesten. Maar ja, iedereen lulde door de liedjes heen. Het interesseerde ze geen hol of je er wel of niet stond. Tot ik het songfestival deed. Opeens puilde Americain uit. De mensen waren niet goed bij hun hoofd. Nee, nú moest iedereen mij opeens zo nodig zien. Alsof ik anders was gaan zingen! Ik dacht: wat overkomt me? Het was één grote chaos, ik was opeens, boem pats inderdaad, bekend.

Wilde je dat dan niet?
‘Beroemd worden’, daar had ik niks mee. Maar goed, als mensen je naam niet kennen, krijg je ook geen volle zalen. Nico Knapper, de regisseur, vroeg me. Hij zei: ‘Heddy, als je een publiek wilt vinden, moet je meedoen.’ Ik zei: ‘Het sóngfestival? Daar heb ik nog nooit over nagedacht.’ Hij zei: ‘Dóén. Gewoon dóén.’ Ik sputterde eerst nog tegen, want ik wilde op mijn eigen manier het publiek bereiken, maar ik mocht zelf een liedje aanbrengen en alles met mijn persoonlijke clubje mensen doen. Marino Westra was een Spaanse danser, die mij in die tijd coachte. Hij zei: ik ken een jongen die op een zolderkamer liedjes schrijft, misschien moeten we daar eens gaan praten. Dat was Wim Hogenkamp, en die liet ons een tekst lezen: De mallemolen. Frank had de muziek al, dat moest alleen nog bij elkaar komen. Ze hebben samen zitten klooien. Ik ging het uitproberen en iedereen vond het een enig nummer, dus we zeiden: ‘Dan doen we het maar, er kan ons toch niks gebeuren?’

En toen won je.
Het was een lange avond. Ik stond achter het toneel met de mannen van de brandweer te lullen. Ik vroeg: ‘Hebben jullie er ook genoeg van?’ ‘Ja,’ zeiden ze, ‘maar jij kunt nog lang niet naar huis, want jij gaat winnen.’ Ik zei: ‘Flauwekul, ik heb het wel gehad hier, ik wil weg.’ En ineens werd er geroepen: ‘Heddy, je moet op, je moet op, je hebt gewonnen!’ Nou, uiteindelijk hebben ze me opgedúwd. Ik kreeg een lawine over me heen. Er werd als de donder een feest voor me georganiseerd, maar op een gegeven moment zei ik: ‘Mijn ouders zijn op een cruise en ik ben verantwoordelijk voor de zaak. Ik móét weg.’
Toen ik eindelijk thuiskwam belde mijn vader, vanaf de boot. Hij vroeg: ‘Hoeveelste ben je geworden?’ Ik zei, een beetje huilerig: ‘Nummer één, pap, en ik weet niet wat ik moet doen.’ De verbinding was slecht en hij verstond: nummer twéé. Hij zei: ‘Twee is ook goed.’ Ik riep: ‘Pap, het is veel erger!’ Maar hij hoorde het niet meer. Hij heeft toen op die boot nog een borrel gegeven, hij zei: ‘Ze is nummer twee geworden, dus alles rustig in de zaak.’ Pas toen ze op de Canarische eilanden kwamen, zag hij de Telegraaf. Met een foto van mij.
Die eerste dagen durfde ik mijn huis niet meer uit. Ik woonde driehoog en de trap lag vol met cadeautjes van wildvreemde mensen. Molens! Ik weet niet hoeveel molens ik gehad heb, ook nog na het festival in Londen. Het was een soort storm, een orkaan bijna. Iedereen vond het enig, enig, enig. Maar al na een paar maanden was ik zeer gefrustreerd.

Waarom?
Dat ik alleen maar De Mallemolen mocht zingen. En altijd met een geluidsband. Dan riep ik: ‘Nou, dan kom ik niet.’ Kijk, en toen is Pats Boem ontstaan. Dat houdt eigenlijk alles in. Drie minuten is niet veel op een mensenleven, want ik dacht: iedereen is gek geworden. Ik heb godverdorie een heel repertoire en niemand piest ertegenaan! Ik kreeg een bloedhekel aan dat liedje. Jaha. Ik wilde het echt niet meer zingen. Ik zong het ook niet meer.

En toen?
Ik wilde het theater in, mijn liedjes doen, met teksten ertussendoor. Maar dat lukte voor geen meter. Totdat Ramses Shaffy mij oppikte. Ik kende hem al jaren, hij kwam wel eens binnenwandelen bij mijn vader en dan ging hij zitten spelen. Ik zei: ‘Shaf, ik ben zo’n frusto, ik weet niet wat ik moet doen.’ Hij zei: ‘Je hele leven De Mallemolen blijven zingen.’ Ik zei: ‘Nou, ik dácht het niet.’ ‘Jawel,’ zei hij, ‘net als ik Sammy de hele tijd zing. Dat willen de mensen van je. Dat moet je nemen zoals het is.’ Maar intussen vroeg hij me voor zijn programma, en daarin hoefde ik het niet te doen. Er deden ook anderen aan mee, maar als ik begon, meestal met Beautiful van Carole King, hoorde ik ze al mompelen: ‘We dachten dat ze De Mallemolen ging doen.’ Of ik kwam op, en dan gingen ze lachen in de zaal. Ze dachten: O god, dat kind van het songfestival. Ik moest het iedere keer weer waarmaken en dat was heel heftig.

Leverde je LP, Deel van mijn bestaan, je iets op?
Jasperina de Jong wilde me hebben voor haar musical over Fien de la Mar. Maar ik zei: ‘Dank u wel, mevrouw, ik ga mijn eigen programma maken.’ Idioot! Dat was een kans geweest voor mij. Ik was zo eigenwijs. Toch hebben we dat toen een paar jaar gedaan, en die programma’s liepen aardig. Niet waanzinnig, hoor, maar de meeste recensies waren goed, we kregen zelfs de Pall Mall Exportprijs. En daarna, nog wat later, kwam mijn toneelwerk op gang, langzaam, heel langzaam.

Zo langzaam, dat je nu denkt: als ik het over mocht doen streepte ik het songfestival weg?
Neehee, ben je mál! Neehee. Véél te leuk had ik het! Ik heb er tegenaan geschopt, dat wel, want ik wilde het theater in, en omdat ze me niet geloofden dacht ik: ik zal waarmaken dat ik een theatermaakster ben. Kijk, wij zijn opgevoed thuis van: ambitieus, wat ambitieus? ‘Ga lekker leven,’ zei mijn vader altijd, ‘doe wat je leuk vindt. En wat kan het je verder schelen.’ Maar door het songfestival dacht ik: o, zit het zo? Er kijkt niemand naar me in Americain, ik word in drie minuten bekend en dan zitten ze allemaal stil te wezen? Dat wekte wantrouwen op, bij mij, maar óók vechtlust.

Tegenwoordig zing je het weer.
Sinds een paar jaar, ja. Als ze het me vragen. Soms op songfestivalbijeenkomsten, en dat is dan heel heftig. Ik schrik altijd als ik opkom en iedereen begint mee te zingen. Of als ik op de markt loop en ze roepen: ‘Mallemolen van het leevuuu!’ Kijk, ik ben heel brutaal en open, maar ik vind het nog altijd raar als mensen me kennen… Nou ja, mensen van boven de vijftig, hoor, want daaronder weten ze bij god niet wie ik ben.

Hoe interpreteer je De Mallemolen nu?
Het is geen fluttekst van ik hou van jou en de lucht is weet ik veel. Het heeft te maken met het leven, met overleven, met de dood, ook. Dat heb ik toen niet zo beseft. Ik was ook wel een beetje een tutje, of misschien geen tutje, maar ik was pas zevenentwintig. Nu kan ik de tekst veel beter interpreteren. Nou ja, als ik het nu had gezongen had ik nooit gewonnen ha ha ha! Dan had ik het veel te serieus aangepakt. Het gaat over de keuzes die je in je leven maakt. Maar ook over dat wat je overkomt, dat zie ik nu veel scherper. Kijk, soms kun je de dingen wel beïnvloeden, maar ik denk bijvoorbeeld niet dat een vluchteling dat kan. Die moet er maar voor gaan, die móét knokken. Die heeft geen keuze.

Wat is die mallemolen in dat geval dan: het lot, een god?
Nee, nee! Ik ben totaal niet gelovig. Het lot, ach… ik heb, zoals iedereen, het een en ander meegemaakt. Met de liefde, natuurlijk, en veel met de dood. Vrienden die vroeg stierven, en ook mijn ex. Maar toch heb ik een heel goed leven. Een heel bijzonder goed leven zelfs. Mijn ouders gaven ons altijd mee: het komt zoals het komt. Ze zaten in een concentratiekamp, hebben elkaar daar leren kennen, en misschien was het daardoor dat mijn vader altijd tegen ons zei: ‘Je kunt niet in de toekomst kijken, iedere dag is er één.’ Dus zo stap ik ook door het leven. Behalve in mijn werk. Als mensen zeggen dat ik iets niet kan – zie je, dit heeft toch weer met het songfestival te maken – dan wil ik het tegendeel bewijzen. Hoewel…

Hoewel?
In 1987 werd ik voor mijn eerste grote toneelrol gevraagd. Door Erik Vos van Toneelgroep De Appel. Ik werd in het diepe gegooid, want ik speelde en zong in Ghetto, over een groepje joden in een Pools getto. Ik vond het heel eng. Er deden allerlei acteurs aan mee tegen wie ik vreselijk opkeek. En daar vroeg ik een keer, omdat ik zo onzeker was: ‘Doe ik het wel goed? Ik ben ook maar een songfestivalzangeresje.’ Ze zeiden: ‘O ja, ben jij een songfestivalzangeresje? Nou, jij kunt zingen, en wij dus niet.’ Dat was voor mij zo bijzonder, dat ze dat zeiden. Op de een of andere manier was ik zelf gaan geloven dat ik enkel dat meisje was dat daar in Londen stond, in die roze jurk. Je wilt niet weten hoe lang dat heeft geduurd. Zelfs na Ghetto nog. ‘Sorry dat ik het songfestival heb gedaan,’ zoiets. Ja, sorry dat ik het songfestival heb gedaan.

Wanneer is dat veranderd?
Nog niet zo lang geleden. Ik ben nu vijfenzestig, en ik ben nu eindelijk zo ver dat ik denk: ik héb toch het songfestival gedaan? Nou, doe het maar lekker na! En ik héb toch Ghetto gespeeld, en de andere rollen? Kom op nou, Lester!

Na de vele toneelstukken en musicals waar je in speelde ben je uiteindelijk met je broer eigen stukken gaan maken.
Dat begon met schrijver Rob Chrispijn, die zei: ‘Waarom vertel je niet het verhaal van je familie?’ Zo ontstond 10duizend zakdoeken. Toen we in première gingen kwamen we er mee op het journaal, we zaten tussen Irak en Iran. We hebben het onder andere in Kamp Vught gespeeld, waar mijn moeder gezeten heeft, en in Westerbork, vanwaar mijn oma is weggevoerd. Mijn moeder zong, in het kamp. Dat was haar manier van overleven. Ze zong, als men erom vroeg, het Ave Maria. Dat snapte niemand. Ave Maria? Voor een Joods-Surinaams meisje? Maar het bracht mensen troost. Mijn vader was minder positief, hoor, maar mijn moeder vond na de oorlog dat ze zo goed mogelijk moest zien door te leven. Ze dacht: ik heb kinderen nu, ik maak me sterk, want anders krijgen ze een hele vreemde moeder. Dat heeft ze gedaan, en een dag voor haar overlijden zei ze het ook, ze zei: ‘Ik heb een fantastisch leven gehad.’ Die sfeer moest de voorstelling hebben.

Wat voor verhalen vertelden jullie?
Actrice Myra de Jong speelde mijn moeder, die zeventien was, destijds. In een van de scènes vertelden we hoe ze tijdens het bunkerdrama, samen met drieënzeventig andere vrouwen in een cel werd geperst, als strafmaatregel, en hoe er ’s ochtends tien van hen niet meer leefden. Dat wist ik niet van mijn moeder, want die vrouwen hadden elkaar beloofd om er nooit met iemand over te praten. Ik las het ergens, later. En daardoor begreep ik opeens waarom ze thuis altijd de wc-deur open liet staan. Wij riepen dan: ‘Mám, doe die deur dicht!’ In het stuk was dat een benauwende scène, uiteraard, maar even later stonden we dan weer een vrolijk lied te zingen. Want de voorstelling was niet te zwaar, daar waakte Frank steeds voor. Het mocht niet alleen maar verdrietig zijn. Mijn vader heeft ooit een man over de grens gesmokkeld, in de kofferbak van zijn auto. Dat verhaal zit er óók in. Hij kwam bij de grens, moest de kofferbak openmaken, en toen zei mijn vader tegen mijn moeder: ‘Geef me even de sleuteltjes.’ ‘Die heb ik niet,’ zei ze. ‘Ja, die heb je wel,’ zei mijn vader. ‘Ik héb ze niet,’ zei mijn moeder, en toen hebben ze toch een nepruzie staan maken daar aan die grens. Die douanier schrok daar zo van dat hij zei: ‘Durchfahr’n.’ De voorstelling ging dus over overleven, op alle mogelijke manieren. Overleven is het belangrijkste, dat is ons met de paplepel ingegoten. Door mijn vader en mijn moeder, maar allebei op een andere manier.

Wat was het verschil?
Mijn moeder was vrolijk, hartelijk, warm, maar mijn vader kon af en toe down zijn. Hij had het op latere leeftijd ook veel vaker over de oorlog. Hij voelde zich schuldig, omdat er zoveel anderen dood waren en hij teruggekomen was. Maar hij leerde ons om op te komen voor verdrukten, voor de mensen die het niet goed hebben. Soms was het geld op, en dan stonden de verhuiswagens weer voor de deur omdat hij de belastingen niet had betaald, of weet ik veel. Maar hij liep nooit langs een dakloze zonder hem iets te geven. Dat heb ik echt van hem overgenomen, en ook dat het je worst moet wezen wat die man met je geld doet. Aan de alcoholisten, hier op het pleintje, vraag ik soms: ‘Zitten jullie lekker?’ En dan mompelen ze: ‘We hebben geen geld, en we mogen niet bij de supermarkt naar binnen. Kun jij niet een biertje halen?’ Nou, dan haal ik een biertje. Ik kan ze toch beter die tien minuten plezier geven in plaats van een boterham waar ze niks aan vinden? Het is hun leven toch? Hun mallemolen draait op die manier.

Heb je zelf ook moeten overleven?
Ik heb het allemaal meegemaakt, geen werk hebben, geen geld hebben. Moet je dan in een hoekje gaan zitten huilen en zeggen: ik zie het leven niet meer zitten? Nee, je moet dóórgaan. In mijn geval zei een vriend tegen me: ‘Kom bij mij wonen, ik heb een etage.’ En toen dacht ik: ik kan hem nauwelijks betalen, maar dan ga ik wel koken, en met veel mensen eten, en het leuk hebben! Dat is mijn overleven: met vrienden eten en lachen en huilen. En verder: als er iemand sterft moet er gezongen worden. Na de laatste voorstelling van Ghetto zei een van de acteurs, Willem Wagter, tegen me: ‘Heddy, als ik doodga, moet jij zingen.’ Ik zei: ‘Ja hoor, Willem, jij wordt honderd.’ Maar niet lang daarna stierf hij inderdaad, dus ik zong op zijn begrafenis het lied uit de voorstelling dat de verzetsmensen in het getto aanheffen wanneer ze omsingeld zijn, Unter Deinen weissen Sterne. En nog geen jaar later zong ik ook op mijn moeders begrafenis.

Ben je religieus?
Nee, er komen asielzoekers bij ons over de vloer, en die zeggen altijd: ‘Het komt goed.’ Ze vertellen me hun verhaal en ik huil, terwijl zij lachen. Die komen gewoon op mijn pad, door mijn vriend eigenlijk, die coach werd in een asielzoekerscentrum. En ik kan niet veel meer voor ze doen dan een tafel vol eten maken en zeggen: ‘Kom binnen en vertel.’ Niet dat ik een soort redder ben, hoor. Maar goed, laatst sprak ik een Afghaanse jongen van een jaar of dertig. Ik vroeg: ‘Ben jij moslim?’ Hij keek me aan en zei: ‘Ik ben een mens. Ik ben een mens en een moslim. En jij?’ Ik zei: ‘Ik ben van joodse afkomst, en ik geloof er allemaal geen bal van.’ Toen begon het al een beetje lacherig te worden. ‘Ja,’ zei ik, ‘want mijn vader zei altijd: als je god nodig hebt is hij op vakantie. Dus die Allah van jou, die is ook op vakantie.’ Hij begon heel hard te lachen. Ik heb contact met hem gehouden, en omdat er laatst nog steeds niets veranderd was in zijn situatie, zei ik: ‘Volgens mij is Allah nu ook nog de weg kwijt geraakt.’ Toen zei hij: ‘En weet je hoe dat komt? Toen hij op vakantie ging, is hij zijn TomTom vergeten.’ Maar goed, je hoeft dit allemaal niet op te schrijven, dat is helemaal niet nodig. Dan gaan ze ook nog denken dat ik goed ben voor de wereld en dat ben ik helemaal niet. Ik wil gewoon een klein beetje lichtheid overbrengen, en wat lucht. Daardoor maken wij ook, vermoedelijk, het liefst dat soort programma’s, waar de onderwerpen serieus zijn maar de toon licht. Om de mensen te laten beseffen dat er nog iets anders is dan geld, luxe en andere nonsens. Er moet veel meer bekendheid gegeven worden aan vluchtelingenverhalen, dus ik zou graag een waanzinnige voorstelling willen maken, met asielzoekers en met dans, muzikaal en vrolijk. Maar dat is een klus, en ik denk niet dat iemand er op zit te wachten.

Nee?
O, daar ga ik weer, hè? Met mijn: wie zit daar op te wachten. Weet je, ik zei laatst tegen Frank: ‘Zullen we een programma maken dat heet De mallemolen van het leven? En toen zei hij: ‘Wat wil je daarmee zeggen dan? Wat wordt dat voor voorstelling?’ Ik zei: ‘Nou, een soort compilatie van alles in mijn leven. Waarin duidelijk moet worden dat ik veel geluk heb gehad. Toen Allah even niet op vakantie was, zeg maar.’ ‘Gottegot,’ zei Frank, ‘wat interessant, het leven van Heddy Lester…’ Maar wat ik van asielzoekers hoor zou ik daar ook in willen betrekken, daar zouden we dan een vorm voor moeten vinden. Met hun verhalen en hun humor. Maar ook met de liedjes waar ik nog iets mee heb. Ik moet het er nog eens met hem over hebben. Hij heeft daar altijd ideeën over, net als met de ring.

De ring?
Toen we naar het songfestival gingen, in Londen, zaten we in een gruwelijk hotel. Maar de portier was geweldig. Die wist zeker dat we gingen winnen, en hij gaf me zelfs zijn ring. Die heb ik jarenlang gedragen, maar ik wilde hem eigenlijk teruggeven. Aan hem, of aan zijn familie. Ik wist zijn naam alleen niet. En toen, vorige winter, ben ik de ring kwijtgeraakt. Je weet wel, dat je dunnere vingers hebt, hij is gewoon afgegleden. Toen zei Frank: ‘Mooie afsluiting.’ Hij zei: ‘Dit betekent iets.’

Wat dan?
Ja, dat weet ik ook eigenlijk niet. Een afsluiting van dat hele songfestivalgebeuren misschien. Maar ik heb het nooit af hoeven sluiten. Zo voel ik dat nu. Het is er gewoon. Het was er.