DE ZIEKTE VAN HET LIEDJE

Stap een meter achteruit en kijk eens naar 1956 tot 2017 – naar die lange rol van tweeënzestig songfestivals. Dan valt – we kijken grof, in het belang van de theoretisering – een straffe driedeling op.
De eerste twintig jaren waren netjes en beschaafd: landen stuurden beroemde dames en heren die balladeerden.
De laatste twintig jaren zijn geprofessionaliseerd en megalomaan: het festival kent stadions, led-lichten, vlagzwaaivoorschriften en op internet gestreamde lotingprocedures.
Maar wat zien we in het middenstuk, laten we zeggen: de jaren tachtig en negentig? Daarin zien we GrandPrix-rachitis.
Die periode is namelijk het zwakke darmstelsel van de festivalgeschiedenis, in die periode lag Eurovisie in bed met koortsverschijnselen, het had de zeurende bof. Want toen heerste Het Eurovisieliedje.

Iedereen kent Het Eurovisieliedje. De symptomen zijn: a) simpele, blije tekst, b) instant-meezingmelodie en c) modulatie. Door Het Eurovisieliedje is het festival ‘fout’ gaan heten, door Het Eurovisieliedje is het festival uit eigen beweging in een benauwd nisje van de muziekgeschiedenis gaan staan.

OOST-EUROPA

De ziekte viel eerst niet zo op. Tot aan de jaren negentig bleef het songfestival een lollig onderonsje van West-Europese landen. Maar toen desintegreerde de Sovjet-Unie. Het aantal deelnemers steeg en de nieuwe, Oost-Europese staten, die veelal op zoek waren naar aansluiting bij het Westen, betraden Eurovisie met beroemde artiesten en zelfbewuste a-typische songs. Denk maar aan de entree van Letland (zie zijvakje), aan de entree van Polen, aan de verspreide deelnames van Željko Joksimović (tweede voor Servië-Montenegro, derde voor Bosnië en Herzegovina, zesde en derde voor Servië). Denk maar aan landen als Oekraïne, Armenië en Azerbeidzjan, die, door hun gemiddelde scores, hoog in de kampioenslijst staan.

Wat volgde: gemor vanuit West-Europa. Sommige fans mopperden gezellig-xenofobisch dat ‘het oostblok ons feestje heeft gepikt’, dat ‘we nu nooit meer aan de bak konden komen want we hebben geen Russische buurman’.

INDERDAAD

En inderdaad, de resultaten van de traditionele songfestivallanden kelderden. Het Verenigd Koninkrijk, voorheen een soeverein Eurovisievorstin met vijf overwinningen en het ongekende hoge aantal van vijftien tweede plaatsen, kwam na 1998 nauwelijks nog in de ranglijsten voor.
Spanje: werd in 1995 tweede, maar grossierde daarna in noteringen-ergens-in-de-20.
Zelfs het Eurovisie-grote Ierland (de Max Verstappen van de traditionele ranglijst met zeven overwinningen, waarvan vier in de nineties) haalde sinds de invoering van de songfestivaldriedaagse net zo vaak niet als wel de finale.

NEDERLAND

Als er één land last had van de verschoven verhoudingen in het speelveld dan was het Nederland wel. Tussen 2005 en 2012 bleef het acht keer op rij steken in de halve finale, waardoor de kijkcijfers en de budgetten daalden.

Mopperen was makkelijk, maar voor wie eerlijk kijkt is de diagnose evident: de traditionele Eurovisielanden hadden elkaar in ernstige mate besmet met het virus van Het Eurovisieliedje. Er heerste opeens een vastomlijnd, inperkend idee van wat er op Eurovisie thuishoorde en wat niet. Als er een artiest gekozen moest worden zeiden beroemdheden nee, want ze wilden niet in een niche-concert gezien worden en zeker niet worden blootgesteld aan morose kritiek. Het stemmende publiek, en zelfs juryleden, serveerden eigenzinnige voorstellen af met het benauwende argument: ‘Mooi, maar niet geschikt voor het songfestival.’ Op die manier sneuvelde in een Hollandse voorronde bijvoorbeeld een song als She would van Sofuja (die later Idols won als ‘Boris’) & Glenn Corneille.

GENEZING

Er moest iets gebeuren.
Aangevuurd door de serieuze songfestivalinzet van Oost-Europese landen begonnen diverse oud-songfestivallanden aan zelfmedicatie. Daarin waren vooral de Scandinavische landen succesvol, met Zweden voorop, dat een ongekend populaire voorronde wist te ontwikkelen (Melodifestivalen – omdat er zoveel mensen kijken zal je als artiest wel gek zijn om nooit iets in te sturen).
Zweedse producers en songschrijvers heersen over de hele wereld (Taylor Swift, Katy Perry, Britney Spears en Justin Timberlake et cetera). Zoals het ene land goed is in het bouwen van helikopters of in het produceren van hoofdpijnmedicijn, is Zweden dus popkoning. Zangeres Tove Lo karakteriseert de ‘Zweedse’ songs zo: ‘Clear but simple lyrics, it’s a lot about the melody, and they are also having a little bit of melancholy or a darker sense to it, to not make it too sugary or too bubblegum.’ [bron]
Het is daarom niet onlogisch dat er een flinke afschaduwing van die wereldwijde productieprofessionaliteit over de Zweedse songcontestdeelnames spatte, met als bekroond middelpunt: Euphoria – een van de grootste hits die het festival voortbracht, zonder Eurovisieliedje-ziektekiemen.

Een mooi voorbeeld van een succesvolle omwenteling is ook België, en dan met name Waals België. Daar wordt de laatste jaren gekozen voor heel jonge, eigenzinnige performers aan wie vervolgens door de Waalse omroep ruimte, begeleiding én budget wordt geboden.
Dit leidde tot sterke inzendingen als Roberto Bellarosa (2013), Loïc Nottet (2015, zie hiernaast) en Blanche (dit jaar).

DE HOLLANDSE WEDEROPSTANDING

In Nederland is de beterschap geheel en al te danken aan zangeres Anouk. Toen zij – een van onze grootste rocksterren – in 2013 aangaf mee te willen doen en daarna kwam met het prachtige en zo on-Eurovisionele Birds (links), volgden The Common Linnets – die meededen omdat Anouk het peil omhooggestuwd had. Eerst kregen ze, ja daar gingen we weer, nog veel kritiek op hun Calm after the storm, omdat het ‘te moeilijk voor het songfestival’ zou zijn, maar vervolgens werden ze tweede in Kopenhagen, het beste Nederlandse resultaat sinds 1975, en hielden ze er prachtige internationale faam aan over.

PORTUGAL

Maar: terug naar nu. Waarom schrijven we dit artikel, wat is de aanleiding? Portugal is de aanleiding. Daar gebeurde dit jaar namelijk iets dat ons hele relaas van Eurovisieziekte & Eurovisiegenezing nog eens spectaculair staaft.
Salvador Sobral werd gekozen, met het lieflijke Amor pelos dois. En: tsjaffffffff de gokkantoren prikken hem met een roestvrijstalen speld stevig in de bovenkant van hun lijst. Dat is de laatste tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig jaar niet voorgekomen, dat is eigenlijk nog nooit voorgekomen – meestal bungelde Portugal ergens onderaan. En sowieso: van de landen die in de jaren zestig besloten deel te nemen aan het songfestival – de oudgedienden dus – won Portugal als enige nog nooit.

FESTIVAL DA CANÇÃO

Is Amor pelos dois een toevalstreffer? Vanwaar de verandering? What happened in the state of Portugal?  Om dat te weten moeten we kijken naar het selectieproces dat de Portugezen de afgelopen jaren hanteerden.
Al vanaf 1964 wordt de Portugese inzending gekozen door middel van het Festival da Canção. Tot aan 1976 (dus tijdens de eerste fase van het songfestival) werd de winnaar bepaald door een jury. De inzendingen waren klassiek en traditioneel.
Halverwege de jaren negentig kreeg het televotende publiek de beslissende stem. Even leek dat iets op te leveren. Lucia Móniz behaalde in 1996 de hoogste Portugese klassering ooit (zie links), maar daarna ging het bergafwaarts. Na de invoering van de halve finales (in 2004) wist Portugal acht keer niet en maar drie keer wel de finale te bereiken, en in die finale was een dertiende plek de hoogste (in 2008).

Soms hanteerden de Portugezen in die jaren een open inzending: iedereen mocht een liedje insturen, waarna een selectiecommissie de voorronde-deelnemers uitzocht. Soms ook werden componisten specifiek gevraagd. Maar welke componisten? We zien in de laatste decennia vaak dezelfde namen terugkomen: Eurovisieliefhebbers, leveranciers van middle-of-the-road-melodieën.

CRISIS

In 2016 besloten de Portugezen weer eens een jaar over te slaan. Geen geld, misschien ook geen inspiratie, in elk geval: geen succes.
En toen kwam 2017. Het Festival da Canção keerde terug – maar er was iets veranderd. Opnieuw werden componisten aangezocht, alleen… we lezen opeens heel ándere namen. Hoe kan dat?

De Portugese omroep is bij zichzelf te rade gegaan en besloot actief te zoeken naar eigenzinnigheid. Naar anders-dan-anders, naar onverwacht. Ze verzonnen een concept dat nieuw was voor Portugal, maar ook in andere landen nog maar nauwelijks is gebruikt. Succesvolle artiesten van allerlei genres (rock, electronica, dance), die normaal gesproken songs voor zichzelf schrijven, werd nu gevraagd om een lied in te leveren, en – we citeren de directeur van de Portugese selectie, Daniel Deusdado, ‘for many of the participating composers Eurovision was not the goal but [the goals was] rather to have an opportunity to showcase Portuguese music’.

EN WAT ER TOEN GEBEURDE

Niet-Eurovisie, dát was dus de vraag. ‘Het beste tonen wat de Portugese muziek op dit moment te bieden heeft’.
Het tweede deel van het concept was dat de diverse makers zelf een artiest mochten zoeken. Omdat de componisten zo gerenommeerd waren, stapten jonge Portugese artiesten graag in – waaronder veel kandidaten uit The Voice. Een vergelijkbare opzet in Nederland zou zijn dat artiesten als Blaudzun, Sef, Pink Oculus, Karsu, a balladeer, de jongens van New Wave, Chef Special, Moke, Kensington en Wouter Hamel liedjes zouden schrijven, die dan door anderen gezongen zouden worden.

En wat er toen gebeurde? Een bonte en authentieke Portugese voorronde. Softnoise kwam voorbij, country, dancepop en – uiteraard – fado. Maar ook dus een klassiek, klein, intiem liedje als Amor pelos dois, geschreven door Luísa Sobral, een jazz-pop-zangeres die haar laatste album in Amerika opnam met producer Joe Henry (bekend van o.a. Beck en Elvis Costello) en die als een van de weinige Portugese artiesten ooit mocht zingen in het BBC-muziekprogramma van Jools Holland.

Haar broer, Salvador Sobral, die voor het eerst opviel (net als zijn zus) in Idols, zong het lied – ook alweer op een manier die we niet goed kennen binnen Eurovisie: niet gelikt, niet in flashy kleding gestoken, zonder act, zonder videowall. En zie: als we de bookmakers en de beroepsvoorspellers mogen geloven is de kans groot dat Portugal dit jaar wél naar de finale gaat, en de kans dat het land voor het eerst in twintig jaar weer eens in de top tien eindigt óók.

WACHT

Wacht – de organisatoren mogen dan iets nieuws bedacht hebben, maar stemde het publiek massaal voor Sobral? Nou eh… bijna. Want ook dat was een verandering die de Portugezen (opnieuw) invoerden: net als bij het ‘echte’ Eurovisie werd de eindkeuze bepaald door een combinatie van televoting en vakjury. Complete televoting – we zagen het internationaal – levert vaak een spektakelkeuze op, en eerlijk gezegd was dat risico ook dit jaar groot in Lissabon.

De kijkers kozen namelijk voor het lied Nova Glória van Viva La Diva (zijvakje), een over-de-top hysteriesong, met schallende tenoren in roze jasjes, geschreven door de voorman van de nota bene alternative-rockband The Gift, die al eens een MTV award kreeg. Het had dus ook helemaal fout kunnen gaan, zelfs in deze nieuwe opzet.

Maar gelukkig – Sobral redde het. Niet alleen omdat de jury hem op een ruime eerste plek zette, maar ook omdat het publiek hem wel als nummer twéé koos. Net zoals televoters, vorig jaar, internationaal, niet ‘alleen maar’ voor Rusland stemden (eerste bij het publiek), maar óók voor winnaar Oekraïne (tweede bij het publiek).

HET RECEPT

Een recept? Dat is er natuurlijk niet. Als dat bestond zou er geen ziekte meer zijn in de wereld en werden we allemaal tweehonderdvier.
Toch lijkt de navolgende conclusie te kloppen: de laatste jaren vallen alle landen die lijden aan Het Eurovisieliedje-syndroom hard door de mand. Ook dit jaar zijn er weer geïnfecteerde deelnames. Maar zeer waarschijnlijk komen die niet erg hoog. En als de voortekenen ons niet bedriegen is de winst straks opnieuw, net als vorig jaar, voorbehouden aan een meer tegendraadse en meer professionele song. Die van Italië bijvoorbeeld, Bulgarije, of België.

Of Portugal. Charmant blijft dat Portugal altijd in de eigen landstaal zong (nóóit is er een niet-Portugeestalige Portugese inzending geweest), en dat ook dit jaar zal doen. Misschien houdt dat Sobral van een extreem hoge eindpositie af, want Eurovisie blijft helaas nog wel lijden aan de Engelse ziekte.
Maar toch, zo langzamerhand is vast te stellen dat de grootste gezondheidsinjectie die een besmette Eurovisiedeelnemer kan redden het tegenovergestelde van Het Eurovisieliedje is.

Dus: voor elk land dat dit jaar slecht scoort en het volgend jaar beter wil doen: zoek het antiserum. Ga terug naar de muziek waarin je land het meest professioneel en het meest eigengereid is. Kies voor Het Niet-Eurovisie-liedje.

 


DE ACT

Een schijnbare co-ziekte van Het Eurovisieliedje is overigens De Eurovisie-act. Daarover wordt valselijk gebazuind dat je om te scoren ‘op z’n minst zes struisvogels en Bassie de clown’ op het podium moet zetten. Inderdaad – visuele aantrekkingskracht speelde een grote rol bij de overwinningen van bijvoorbeeld Finland (2006), Oostenrijk (2014) en Zweden (2015), maar die landen wonnen alleen maar omdat ze óók een goed liedje hadden. Winnaars als Servië (2007), Duitsland (2010) en Oekraïne (2017) hadden géén spectaculaire act. De Eurovisie-act lijkt dus een griepverschijnsel, maar is het niet.

Wel is het waar dat er maar drie minuten beschikbaar zijn in het Eurovisie-corso en dat de act (of niet-act) bijzonder moet zijn: in zijn visuele rijkdom, in zijn soberheid of in het verhaal dat verteld wordt. En dit is ook waar: achteloosheid en amateurisme worden sowieso afgestraft.